Billy

Christophe Vekeman
zaterdag 27 maart 2021 om 3.25 uur
Artwork

Een nummer van de Australische countryzanger Grant Luhrs heet 'It's hard to be a cowboy with a poodle by your side', en het is inmiddels al een tijdje dat ik deze woorden meerdere malen per dag citeer tegenover mijn vrouw, nu eens op uitgesproken schalkse wijze, alsof de hele kwestie niet meer is dan een grapje zonder grond en er totaal niets op het spel staat, dan weer met kloeke stemverheffing, op de manier van iemand die wil laten merken dat hij het meent, dat de kous af is en dat die ongein stilaan moet stoppen. Het maakt allemaal niet veel indruk op haar: een poedel zal het zijn, een poedel is wat zij wil, een poedel en niets dan een poedel.

Het dier heeft zelfs al een naam, zodat het kan gebeuren – gisteren nog, in het Citadelpark – dat zij verzucht: 'Nu wou ik echt dat Billy erbij was.' Ook zijn vachtkleur ziet zij haarscherp voor zich, alsmede de blik in zijn oogjes, die haar hart in een mum van tijd kan doen smelten. Voorts weet ze mij te vertellen, even zeker van haar stuk als helderziende waarzegsters nu eenmaal altijd klinken, dat Billy hyperintelligent zal blijken te wezen, op het schaakvaardige af, nooit maar dan ook nooit ofte nimmer zal blaffen, en ontzettend goed alleen zal kunnen zijn: zijn wij strakjes, in de toekomst, met z'n tweeën eens een week of twee op reis, weet je wel, dan kookt hij gewoon zijn eigen potje, als je mijn vrouw mag geloven, en komen wij vervolgens weer om thuis, dan heeft hij op de koop toe de gordijnen gewassen. Werp ik op mijn beurt op dat ik het eerder zie gebeuren dat zo'n hond ons halve boekenbezit in de zeik zet, tenzij hij bezig is, natuurlijk, zijn tanden in mijn nieuwste laarzenpaar te planten, dan schiet mijn geliefde gul in de lach: zonneklaar is dat ik Billy niet ken. Waarop zij er het zwijgen toe doet terwijl ze lang, meewarig en nog steeds geamuseerd het hoofd schudt.

Het eigenaardigste is nog, voor mij toch, dat haar optimisme niet louter overtuigend bedoeld lijkt te zijn, niet zomaar tactisch van aard is, maar daarentegen duidelijk oprecht en volmaakt authentiek heten mag: Billy zal, eenmaal ter wereld en in ons leven gekomen, het beste, braafste, slimste, mooiste hondje aller tijden zijn, dat staat voor mijn vrouw zo vast als een rots.

Zoveel onverzettelijk vertrouwen in de gang van zaken is mij persoonlijk altijd al volslagen vreemd geweest, moet ik zeggen, ongeacht het domein waartoe de betreffende zaken behoren. Als kind al zeurde ik dat het leven veel te kort was, niet meer dan een scheet in de wind, en geloven in een goede afloop laat ik nog steeds met plezier aan de loodgieter over. Ik ben droefgeestig geboren, kortom, daarom streef ik zo halsstarrig de lach en de vrolijkheid na, en wie weet heb ik mijn breidelvrije levenslust, die bij momenten ondanks alles onmiskenbaar is, dus wel rechtstreeks te danken aan mijn zwaarmoedige, sombere inborst. Het moge zo zijn, maar in elk geval: wat zich ook in mijn gezichtsveld aandient, ik heb er in wezen bepaald geen goed oog in.

Zit ik te kijken naar dat filmpje van de nieuwe beweging Vooruit, bijvoorbeeld, waarin een voortdurend langer en krachtiger wordende zwerm rode rozenblaadjes door het beeld wervelt en stormt, een vermiljoenkleurige sliert die naar het einde toe een nietsontziende straal wordt om zich vervolgens zonder boe of bah een weg door een betonnen muur heen te beuken, dan kan ik uitsluitend denken aan geweld en horror en, meer specifiek, aan bloed dat ten gevolge van een moordende kogelinslag enigszins in slow motion tevoorschijn komt gespoten, niet aan 'lef om los te laten', 'samen vooruit willen' en waar Conner Rousseau het nog zoal over mag hebben. Zoals ook de foto waarop de genoemde voorzitter, samen met wat schijnbaar een twintigtal medeoverlevenden is, tussen angstwekkend reusachtige rozen – meer monsters dan bloemen – staat te poseren tegen een giftig rokerige rode hemel, mij geen boodschap van hoop, verandering of wat dies meer zij heeft te bieden, doch mij slechts bij mezelf doet vaststellen: jemig, dát was lang geleden, zeg, dat ik nog eens aan de neutronenbom had gedacht. Op dezelfde wijze hoor ik het minister Vandenbroucke steevast, onveranderlijk, over 'het lijk der vrijheid' hebben, ik kan er ook niets aan doen, het is gewoon mijn aard, vrees ik, ik zal ermee moeten leven, dat doe ik tenslotte al zo lang.

Over mijn medemens, trouwens, dien ik me al helemaal geen zorgen te maken: mijn vrouw, herhaalde ze daarnet nog, ziet me graag zoals ik ben, en wie zou er verder last kunnen hebben van de zwartgalligheid die mij bezielt? Inderdaad ja, juist, u zegt het.

Geen hond.

Christophe Vekeman is auteur. In deze rubriek wikt hij de wereld.
Verschenen op zaterdag 27 maart 2021